Eind jaren 50 had Leonard Lord, president directeur van British Motor Corporation (BMC) de visie dat de markt behoefte had aan een nieuw soort auto, klein van buiten en groot van binnen. In 1957 werd Alec Issigonis, die eerder faam vergaarde met de Morris Minor, aangesteld om een prototype te ontwikkelen van een auto voor vier, met een motor van BMC, die kleiner was dan de huidige autos uit de BMC bedrijven. In juli 1958 nodigde Alec Issigonis zijn opdrachtgever uit om een proefrit te maken in een van de twee prototypes. Leonard Lord werd verrast door de combinatie van snelheid en weggedrag en gaf direct het groene licht voor voortzetting van het project. De volgende stap was het opleveren van een productieversie; hiervoor kreeg men 12 maanden. De merken die in 1952 samen BMC oprichtten, Morris en Austin, brachten ieder onder eigen naam in augustus 1959 een model op de markt: de Austin Seven en de Morris Mini Minor. Productiefaciliteiten werden opgezet in Longbridge (Austin-fabriek) en Cowley (Morris-fabriek), waar in juni 1959 ongeveer 100 autos per week van de band rolden. Een belangrijke naam in de geschiedenis van de Mini is die van John Cooper. Hij had veel ervaring met het opvoeren van de motor die in de Mini gebruikt werd doordat hij dezelfde krachtbron gebruikte in zijn racewagens. Door het toepassen van een dergelijke opgevoerde motor in de Mini was de Mini Cooper geboren. De Austin Mini Cooper en de Morris Mini Cooper verschenen in 1961. De Mini kreeg in 1967 zijn eigen merknaam: Mini. De auto werd na het laten vallen van de Morris en Austin merknamen verkocht als Rover.